Schatkamer van Fryslân

Begraven voor 1812

​In de database 'begraven' vindt u gegevens over overlijden en begraven, afkomstig uit diverse bronnen. Dat kunnen 'begraafboeken' zijn, maar ook 'registers van overledenen', een 'register van impost op begraven', diaconierekeningboeken, enz. Al deze gegevens zijn hier samengevoegd in één database, kortweg 'begraven' genoemd. Hieronder volgt een toelichting op de diverse bronnen.

  • De database met de gegevens uit de begraafregisters is te vinden in de website Alle Friezen. Kies bij 'Uitgebreid zoeken' voor 'DTB Begraven'.


Register van overledenen

De registers van overledenen over de periode 1806 – 1811 zijn aangehouden volgens de ordonnantie op het recht van succesie d.d. 4 oktober 1805. Van Vlieland was dat register niet beschikbaar en daarvoor is gebruik gemaakt van het begraafregister.

Diaconierekeningen

In de diaconierekeningen zijn veel gegevens met betrekking tot het overlijden en begraven van personen te vinden. De rekeningen zijn echter NIET voor deze registratie opgesteld, het primaire doel is een financiële verantwoording. De rekeningen werden opgesteld door de administrerende diaken. Deze moest kunnen schrijven, maar was zeker geen geoefende schrijver, hierdoor is de registratie van nogal wisselende kwaliteit en is de spelling van namen vaak fonetisch. In een aantal kerkelijke gemeenten werd enkel de kladrekening door de diaken opgesteld en werd deze door de schoolmeester in het ‘net’ geschreven.

De diaconieregistraties kunnen helpen om van een gezocht persoon bij benadering de overlijdensdatum vast te stellen. Hiervoor dienen de gevonden registraties wel geïnterpreteerd te worden. De echte overlijdensdatum wordt slechts uitzonderlijk vermeld.

Ook de overledene wordt vaak niet expliciet genoemd. Personen die niet bij naam genoemd worden, maar wel als echtgenoot van, weduwe van, kind van, zoon- of dochter van, ingeschreven staan, worden vermeld onder naam van hun respectievelijke echtgeno(o)t(e), vader, moeder ed. 

Naast de datum van de registratie en de naam van de overledene of betrokkene is de tekst van de registratie overgenomen om een goede interpretatie mogelijk te maken. Hierbij zijn de afkortingen in de tekst voor het begrip voluit geschreven, maar tussen ‘( )’ geplaatst. Soms is de tekst vanuit andere registraties aangevuld, in dat geval is de betreffende tekst tussen ‘[ ]’ geplaatst. Na de tekst staat aangegeven of het een ontvangst of een betaling betreft, gevolgd door het bedrag in guldens, stuivers en penningen. Als laatste is de registratie getypeerd. Hieronder worden die typeringen verder uitgelegd.

Uitdeling

De armenzorg, de primaire taak van de diaconie, vormt een eerste bron voor overlijdensdata. In de rekeningen komen de wekelijkse uitdelingen aan de armen voor. Bij deze uitdelingen of bedelingen wordt af en toe aangegeven dat de betreffende persoon is overleden, of dat er betaald is “tot de doodsiekte”, “tot het overlijden”, etc. Op basis van de datum van de laatste uitdeling en de genoemde periode is de overlijdensdatum te benaderen.

De bedeelden of gealimenteerden en hun familie komen meestal gedurende jaren in de diaconierekeningboeken voor, uit de bron valt dus veel meer informatie af te leiden, dan dat hier opgenomen is.

Begrafeniskosten

De diaconie betaalde voor de bedeelden ook de begrafeniskosten. Er werd o.a. betaald voor het verzorgen van de zieke, voor het afleggen, het aanzeggen, de doodskist of doodvat, het grafmaken en het leedmaal. Voor deze begrafenismaaltijd  werden winkelwaren, brood, boter, maar ook bier, brandewijn, jenever en later koffie en thee vergoed. De kleinere kosten werden meestal enkele dagen na de begrafenis betaald, veelal enkele dagen later. Kosten aan de chirurgijn, brouwer en timmerman werden meestal slechts één- of tweemaal per jaar betaald.

Overigens lijkt de diaconie ook in te springen als er in de plaats geen directe verwanten zijn of als de overledene een vreemdeling is.

Verkoop bezittingen, boelgoed

Bij bedeling was het een “morele plicht” dat de gealimenteerde de uitdelingen van de diaconie weer trachtte terug te betalen. Een consequentie was dat als een gealimenteerde of bedeelde overleed, de nagelaten goederen aan de diaconie vervielen. Deze werden meestal openbaar verkocht middels een boelgoed. De diaconie werd eerst uit de opbrengst vergoed, wat over bleef was voor de erfgenamen. Meestal bleef er echter een schuld over. In de diaconierekeningen worden deze boelgoederen vermeld. Veelal blijkt het boelgoed op dezelfde dag als de begrafenis plaats te vinden. Voor ons misschien onbegrijpelijk, maar vaak waren er niet zo veel spullen te verkopen en juist op die dag waren de familie, vrienden en buren aanwezig.

Grotere en bijzondere spullen, zoals oorijzers en boeken, werden vaak later verkocht. Tot een jaar na het overlijden.

Zo’n boelgoed betrof niet alleen de allerarmsten. Soms werd met de diaconie een ‘akkoord’ gesloten, vergelijkbaar met een lijfrente: De diaconie onderhield de betreffende persoon tot diens dood en vervolgens verviel diens bezit aan de diaconie.

Het loont de moeite om in de diaconierekeningen naar meer informatie te zoeken indien u ontdekt dat van een door U gezochte persoon een boelgoed is gehouden of dat er nog afzonderlijk goederen van de betreffende persoon zijn verkocht.

Erfenis, legaat

Los van de inkomsten van het boelgoed ontvangt de diaconie af en toe een legaat of erfenis. Die zijn meestal van meer gegoede personen afkomstig.  De betaling van een legaat valt meestal circa een maand na overlijden.

Collecte

De diaconie was sterk afhankelijk van vrijwillige giften, daarom probeerde de diaconie bij alle mogelijke gelegenheden geld in te zamelen. Collectes in de gewone diensten, maar ook bij dopen, trouwen en begrafenissen. Soms werd in plaats van een collecte een schaal, ‘het bekken’ geplaatst om geld in te storten. In veel plaatsen werd bij de begrafenis ook een bekken op het kerkhof geplaatst. Vaak is de registratie van de collectes algemeen, maar in een aantal gemeenten staat de overledene expliciet vermeld. De registratiedatum betreft dan de begrafenisdatum.

Huur laken

Een ander vorm van inkomsten voor de diaconie was het zogenaamd zwart laken. Dit laken was het kleed dat bij de begrafenis over de kist werd gelegd. Een doodslaken was voor de meeste mensen veel te duur en werd te weinig gebruikt. De diaconie schafte een lijklaken aan en stelde het bij begrafenissen ter beschikking. De nabestaanden betaalden hiervoor huur of gaven een gift. In de rekeningboeken staat bij deze posten in ieder geval de betaler en soms de overledene. Aangezien meestal een verwant betaalde is deze betrokkene ook interessant.

Opvallend is dat in de plaatsen waar zowel de begrafeniscollecte als het lakenverhuur voorkomen de posten meestal op dezelfde dag werden geboekt, als betaald werd door een verwant van de overledene. De datum van het lakenverhuur geeft dan een redelijk benadering van de begrafenisdatum. Is de betaling echter gedaan door een buitenstaander, bijvoorbeeld een armvoogd, dan kan de betaling van het laken wel een maand later plaatsvinden.

De verhuur van het laken is niet beperkt tot de eigen plaats of tot het eigen kerkgenootschap. Uit de rekeningboeken blijkt dat ook de doopsgezinden en de katholieken het laken huurden.