Schatkamer van Fryslân

Quotisatie 1749 - achtergronden

In 1748 brak in de Republiek het Pachtersoproer uit, rellen die waren gericht tegen de belastingpachters, waarvan algemeen werd aangenomen dat ze zich op ongeoorloofde wijze verrijkten. De Staten van Friesland besloten hierop de wijze van belastingheffing te veranderen. Alle indirecte belastingen zouden worden vervangen door een heffing die min of meer evenredig zou zijn met gezinsgrootte en welstand. 

Op 30 december van dat jaar volgde, na het uitschrijven van een prijsvraag, de bekendmaking van de nieuwe belastingwetten. Eén daarvan bepaalde de invoering van de quotisatie. Maar het volk was daarover al gauw nog ontevredener dan over de vroegere belastingen. De quotisatie is dan ook in 1750 al weer afgeschaft.

De kohieren van alle gemeenten op het vasteland zijn bewaard gebleven. Vrijwel alle gezinshoofden komen er in voor, met uitzondering (in veel gemeenten) van de bedeelden ofwel gealimenteerden. Van de vermelde inwoners wordt meestal het beroep vermeld (met uitzondering van Utingeradeel), terwijl ook de gezinssamenstelling globaal wordt opgegeven, door aantekening van het aantal personen van 12 jaar en ouder resp. beneden twaalf jaar. Uit de aanslag is het mogelijk de welstand te berekenen. De quotisatiekohieren verschaffen de genealoog dus vooral aanvullende gegevens.

Belastingheffing 18de eeuw
Ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren de provincies op velerlei gebied soeverein, onder meer op dat van de belastingheffing. Toch was er tussen de gewesten een belangrijk punt van overeenkomst: bijna alle belastingen werden verpacht. Dit hield in dat de Staten gewoonlijk jaarlijks aan de hoogstbiedende de invordering van bepaalde belastingen opdroegen; de pachter moest er dan zelf maar voor zorgen dat hij zijn pachtsom er weer uitkreeg. Deze figuur is dus zeer wel vergelijkbaar met de tollenaar die we uit de bijbel kennen; hij had daarmee ook diens grote impopulariteit gemeen. Voor de overheid had deze gang van zaken voordeel dat de belastingen werden geïnd zonder dat er ambtenaren behoefden te worden aangesteld, hetgeen wel paste in de mentaliteit van de regentenklasse.

De hiervoor bedoelde belastingen waren bijna allemaal verbruiksbelastingen die drukten op de eerste levensbehoeften en op populaire genotmiddelen. Zo kende men in Friesland de imposten (of impositiën) op het gemaal, beestiaal, koffie en thee, zout, tabak, brandewijnen, en vele andere. Uiteraard drukten deze imposten naar verhouding het zwaarst op de arme bevolkingsgroepen. Voor de volledigheid zij hier vermeld dat er ook nog andere belastingen dan imposten bestonden, bijv. de floreenrente en de reële goedschatting, die door daartoe aangestelde ontvangers bij kohier werden ingevorderd.

In 1748 ging er een golf van onlusten door de Republiek, het zgn. pachtersoproer of Doelistenoproer. Verscheidene hervormingen werden geëist, onder meer op het terrein van de belastingheffing. Op 1 juni 1748 moesten de Friese Staten onder pressie van de Doelisten besluiten tot afschaffing van de "verpachte middelen". De vijfde van die maand reeds werd besloten, dat daarvoor in de plaats zou komen een "quotisatie", een belasting naar draagkracht. Hier bleef het eerst bij, want men had er geen idee van hoe zoiets moest worden uitgevoerd. Men greep daarom naar het middel van de prijsvraag.

Afbeelding: "De Harlinger gecommitteerden worden te Leeuwarden door het gemeen met slaanden trom ingehaald."
Tijdens het pachtersoproer, dat van 26 mei tot 2 juni duurde, kwam in Harlingen een georganiseerde protestbeweging op gang. Op 1 juni werd in Leeuwarden de Landdag bijeengeroepen. De afgevaardigden van Harlingen reisden die dag aan boord van drie trekschuiten naar de Friese hoofdstad. Daar was de sfeer inmiddels gespannen. Een grote menigte had zich ‘voorsien met groote knodsen met scherpe pinnen’ verzameld. Op het plaatje is de tocht van de Harlingers tussen de menigte door afgebeeld.
Even later zouden ze hun ‘poincten’ in de vergadering overhandigen. Eén van de eisen was de vervanging van de havenpachten en gemaal door een evenredige omslag over grietenijen en steden: de quotisatie.