Het geldstelsel in de 18de eeuw
  terug

Het geldstelsel dat we tot het invoeren van de Euro in Nederland kenden, gebaseerd op guldens en centen, dateerde uit het einde van de Franse tijd. Niettemin bleven oudere muntsoorten tot het midden van de negentiende eeuw in omloop.

Ten tijde van de Republiek had elk gewest zijn eigen muntslag. Dit betekende niet, dat ook elke provincie zijn eigen geldstelsel had. Integendeel, de munten leken overal sterk op elkaar en waren ook in de gehele republiek geldig. Daar de waarde van een munt destijds werd bepaald door zijn goud- of zilvergehalte waren er ook zeer vele buitenlandse munten in omloop. Met behulp van tarievenboekjes was het mogelijk om van Duitse, Franse, Engelse, Spaanse, Portugese en andere geldstukken de juiste waarde te berekenen.

Het geldstelsel uit die tijd leek sterk op het stelsel dat tot voor kort in Engeland in gebruik was. Men rekende in guldens, stuivers en penningen. Een stuiver had de waarde van zestien penningen, terwijl de caroligulden - genoemd naar Karel V – 20 stuivers waard was. In de achttiende eeuwgebruikte men bijna uitsluitend nog deze caroligulden, waarvan het symbool was: ₤ (pond). De aloude florijn of goudgulden ter waarde van 28 stuivers en de philipsgulden (25 stuivers) waren bijna in het vergeetboek geraakt, al werd de goudgulden nog wel eens gebruikt bij transacties in onroerend goed. De daalder, van 30 stuivers, werd nog wel als rekeneenheid gehanteerd. Bekende veelvouden van de stuiver waren het dubbeltje en de schelling, twee resp. zes stuivers.

  terug