De organisatie.
In 1838 trad de wet op de rechterlijke organisatie in werking. Deze wet was al in 1827 aangenomen maar vanwege de Belgische opstand nog niet in werking getreden.
In de nieuwe wet werd het in 1811 ingevoerde franse systeem voor een groot deel gehandhaafd. Omdat er nog geen nieuw wetboek van strafrecht was bleef de code Pénal "voorlopig" ( = 48 jaar) van kracht.
De indeling in overtredingen, wanbedrijven en misdrijven bleef gehandhaafd. Een overtreding was een vergrijp waarop maximaal 5 dagen gevangenisstraf dan wel een boete van f 75,- was gesteld. Wanbedrijven waren vergrijpen waarop een gevangenisstraf van meer dan 5 dagen of een boete van meer dan f 75,- was gesteld. Misdrijven waren die vergrijpen waarop een lijf- of onterende straf was gesteld: doodstraf, tuchthuisstraf.
Voorbeelden van overtredingen:
- niet schoonmaken van straten
- plukken van vruchten die aan een ander toebehoren
- schelden
- vuiligheid op straat gooien
- op de openbare weg houden van loterijen
- op de openbare weg spelen om geld
- gebruik niet geijkte gewichten
- burengerucht
Voorbeelden van wanbedrijven:
- mishandeling waarbij letsel was ontstaan dat leidde tot een verzuim van meer dan 20 dagen
- eenvoudige diefstal (zonder braak, overdag)
- belediging
Voorbeelden van misdrijven:
- moord
- doodslag
- diefstal met braak en/of bij nacht
- valsheid in geschrifte
- diefstal van vee
- mishandeling
- bigamie
De organisatiewijzigingen betroffen het volgende:
- het politiegerecht verdween (rechtspraak door burgemeester/grietman)
- het vredegerecht werd vervangen door de kantonrechter; overtredingen
- de rechtbank van eerste aanleg werd omgedoopt tot arrondissementsrechtbank; wanbedrijven
- de Hoven van Assisen werden opgeheven en vervangen door provinciale gerechtshoven; misdrijven. Beroep was niet mogelijk.
- het Hoog Gerechtshof werd omgedoopt tot Hoge Raad en kreeg alleen nog cassatiezaken te behandelen.
|
Instelling |
Rechtsgebied |
Competentie |
|
Kantongerecht |
Kanton |
Overtreding |
|
Arrondissementsrechtbank |
Arrondissement |
Wanbedrijven Hoger beroep van overtredingen |
|
Provinciaal gerechtshof |
Provincie |
Misdrijven Hoger beroep van wanbedrijven |
|
Hoge Raad |
Nederland |
Cassatiezaken |
Periode 1876 – 1886.
Met ingang van 1876 werden de 11 provinciale gerechtshoven opgeheven en vervangen door 5 gerechtshoven die meerdere provincies bedienden. Het gerechtshof Leeuwarden omvat de provincie Groningen, Friesland en Drenthe. Ook in 1876 werd het arrondissement Sneek opgeheven en dit arrondissement werd verdeeld tussen Leeuwarden en Heerenveen. Voor wat betreft competenties waren er geen veranderingen.
Na 1886.
In dat jaar trad het nieuwe Wetboek van Strafrecht in werking. De grootste wijziging was dat de wanbedrijven werden opgedeeld in overtredingen en misdrijven. De kantonrechter oordeelt vanaf dat jaar over overtredingen, de arrondissementsrechtbank over misdrijven. Hierdoor ontstond de mogelijkheid om van veroordeling voor een misdrijf in hoger beroep te gaan. Dit beroep dient bij de Gerechtshoven. Van een vonnis van de kantonrechter kan men in beroep gaan bij de rechtbank.
Andere wijzigingen die na 1886 in werking traden waren:
- 1905: invoering kinderstrafrecht
- 1921: invoering politierechter bij de rechtbank (enkelvoudige kamer) en invoering van de kinderrechter
- 1923: opheffing arrondissementsrechtbank Heerenveen.
|
Instelling |
Rechtsgebied |
Competentie |
|
Kantongerecht |
Kanton |
Overtredingen |
|
Arrondissementsrechtbank |
Arrondissement |
Misdrijven Hoger beroep van overtredingen |
|
Gerechtshof |
Ressort (meerdere prov.) |
Hoger beroep van misdrijven |
|
Hoge Raad |
Nederland |
Cassatiezaken |
De procesgang.
Vooronderzoek
De ontdekking van een strafbaar feit is het begin van de bemoeienis van justitie. Van de ontdekking van het strafbare feit wordt, meestal door de politie, een proces-verbaal opgemaakt en er volgt een onderzoek. Het onderzoek wordt verricht door de politie onder leiding van het Openbaar Ministerie. Van het gehele onderzoek wordt proces-verbaal opgemaakt.
Het proces-verbaal wordt opgestuurd naar de Officier van justitie, die het laat inschrijven in het parket- of weeklijstregister. De zaak krijgt nu een parketnummer.
Na lezing van het proces-verbaal kan de Officier van justitie vier dingen doen:
- seponeren: dit wil zeggen niet vervolgen, dit kan om diverse redenen, bijvoorbeeld omdat er te weinig bewijs is, de dader al is overleden, de dader onbekend is (gebleven). Geseponeerde zaken worden bijgehouden in de registers van niet-vervolgde verdachten.
- transigeren: het aanbieden van een schikking, gewoonlijk een boete, waarna na betaling de verdere vervolging is afgekocht
- nader onderzoek: de officier vraagt aan de rechtbank om een nader onderzoek in te stellen voor de rechter-commissaris (RC) omdat enkele zaken nog niet duidelijk zijn. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek kan de officier alsnog beslissen om te seponeren of te transigeren
- vervolgen: de officier legt de zaak voor aan de rechter. Hij doet dit door het aan de verdachte betekenen van een dagvaarding waarin vermeld staat waar de verdachte van verdacht wordt en waar en wanneer hij moet voorkomen.
Als tot vervolgen wordt overgegaan, wordt de zaak op de "rol" geplaatst. Dit houdt in dat de zaak op de griffie van de rechtbank chronologisch wordt ingeschreven in het rolboek en de zaak een rolnummer krijgt. De meeste rolboeken zijn voorzien van klappers op naam van de beklaagden (wanneer tot vervolging wordt overgegaan wordt vaak niet meer van verdachte maar van beklaagde gesproken). Voor onderzoekers is het rolnummer van groot belang, het vormt de rode draad door het archief.
Dagvaarden.
Wanneer het vooronderzoek is afgelopen en de datum waarop de zaak door de rechters zal worden behandeld bekend is, wordt de verdachte door de officier van justitie gedagvaard om voor de rechter te verschijnen. De dagvaarding is een geschrift waarin vermeld staat waarvan de verdachte verdacht wordt en wanneer hij voor de rechter moet verschijnen.
Onderzoek ter terechtzitting.
Op de zittingsdag wordt de zaak door de deurwaarder afgeroepen. Als de beklaagde niet is verschenen wordt door de rechtbank of verstek verleend of de aanwezigheid gelast.
De Officier van Justitie draagt de zaak voor door het voorlezen van de tenlastelegging (dat gedeelte van de dagvaarding waarin vermeld staat waarvan de beklaagde wordt verdacht). Eventueel legt hij tevens een lijst van in beslag genomen voorwerpen en een lijst van getuigen en deskundigen over.
Vervolgens gaat de rechtbank over tot verhoor van eventuele getuigen en deskundigen. Processen verbaal, verslagen van deskundigen en andere stukken uit het dossier worden gedeeltelijk of in het geheel voorgelezen. De beklaagde wordt daarna ondervraagd. Eventueel worden getuigen opnieuw gehoord. Na de rechtbank krijgen de officier en de advocaat de gelegenheid de beklaagde en de getuigen vragen te stellen.
Na het verhoor van de beklaagde en de getuigen krijgt de officier van justitie het woord en legt hij zijn eis (vordering), na voorlezing, over aan de rechtbank. De vordering (requisitoir) omschrijft het strafbare feit dat de officier bewezen acht en de straf die hij opgelegd wil zien. De beklaagde of zijn advocaat mag daarop antwoorden. De officier mag daarna nogmaals het woord voeren, eventueel weer gevolgd door de beklaagde of zijn advocaat. Aan de verdachte moet op straffe van nietigheid het laatste woord worden gelaten (nietigheid houdt in dat de aanklacht en de eventuele veroordeling vervalt en de beklaagde vrijuit gaat). Hierna sluit de rechtbank dit "onderzoek ter terechtzitting".
Van het gehele onderzoek ter terechtzitting wordt een proces verbaal opgemaakt door de griffier.
Het vonnis.
De rechtbank trekt zich terug in de raadkamer en beraadslaagt daar over de zaak. Dit overleg is geheim en wordt niet genotuleerd. Het enige wat uiteindelijk van deze beraadslaging naar buiten komt is het vonnis. Het vonnis wordt uiterlijk twee weken na het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar door één van de rechters uitgesproken. De beklaagde wordt gewezen op de eventuele mogelijkheid voor hoger beroep (appèl) of cassatie. De beklaagde kan, binnen een vastgestelde termijn, in beroep of cassatie gaan.
Executie.
Als er geen mogelijkheid meer is een rechtsmiddel (hoger beroep, cassatie en gratie) aan te wenden tegen het vonnis, gaat de officier van justitie over tot uitvoering (executie) van de straf. Van deze uitvoering wordt aantekening bijgehouden in de zogenaamde executieregisters. In deze registers staat welke straf is opgelegd, wanneer de straf is ingegaan en in welke inrichting de straf is uitgezeten.
Archiefstukken.
Bovenstaande levert de volgende archiefstukken op:
- Parketregisters, niet voorzien van een alfabetische index
- Rolboeken, grotendeels voorzien van een alfabetische index
- Audiëntiebladen, het verslag van het onderzoek tijdens de zitting. Van de zittingen bij de politierechter zijn geen audiëntiebladen aanwezig. Het vonnis werd op dezelde dag uitgesproken als die waarop de zitting plaatsvond.
- Vonnissenboeken, het vonnis met motivering
- Executieregisters, de uitvoering van de straf.
Het onderzoek.
In de rolboeken wordt het rolnummer van de zaak gevonden en de datum waarop vonnis is gewezen dan wel de datum waarop de zaak heeft gediend. Dit gedeelte van het onderzoek kunt u dus op de website uitvoeren aan de hand van de naam van betrokkene.
De rest van het onderzoek dient op Tresoar plaats te vinden. Met het rolnummer en de op de website gevonden datum kan in toegang 18 op de studiezaal van Tresoar worden opgezocht welk pakket audiëntiebladen en welk vonnissenboek moet worden aangevraagd. Tevens kan het executieregister van die periode worden aangevraagd.