|
BOTNIA (NIEUW-), adell. kasteel, prov. Friesland, in de stad Franeker, aan de Westzijde der Breedeplaats, in het laatst der 16e eeuw bezeten geweest door Tjalling van Botnia, Ridder, en thans bewoond door de Jufvrouwen Adama. |
|
BOTNIA (OUD-),
voorm. adell. state, prov. Friesland, in de stad Franeker, tegenover het stadshuis; in het laatst der 16 eeuw
bewoond door Julius van Botnia,
Ridder, voorstander en bevorderaar der vrijheid, die ook onder de teekenaars van het verbond der Edelen voorkomt (1). Dáár
overleed, den 23 Junij 1588, Anna, dochter van
Prins Willem I, gemalin van Graaf Willem Lodewijk
van Nassau, Stadhouder van Friesland. In het jaar 1725 heeft Prins Willem IV, gedurende zijne studiën, er
zijn verblijf gehouden. later was dit schoone
gebouw een koffijhuis, tot het, in 1810, werd
afgebroken, en op de zelfde plaats een nieuw gebouw is gezet, mede voor koffijhuis ingerigt. (1) Men zie over hem en zijn geslacht, J. W. te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche Edelen, St. II, bl. 267-271. |
|
DEKAMAHUIS, voorm. adell. kast., prov. Friesland, in de stad Franeker, aan de Breedeplaats. Het was het stamhuis van het
oude, edele geslacht der Dekama's dat aan de
aanzienlijkste geslachten in Friesland vermaagschapt was en onderscheidene
vermaarde mannen heeft voortgebragt. Zoo vinden wij
reeds, op het jaar 1045, gewag gemaakt van Julius Dekama, als door Keizer
Hendrik III, in vele gewigtige
gezantschappen gebruikt zijnde. In het jaar 1210 werd Frans Dekama, voor 's Lands zaken
naar Keizer Otto IV gezonden, en door dien Vorst zeer minzaam ontvangen,
terwijl zijn zoon, Jarich Dekama,
ten hove bij den Keizer bleef. Juw
Dekama, dien wij als ongemeen oorlogzuchtig vermeld
vinden, begaf zich naar Braband,
alwaar hij zich eenigen tijd aan het hof van hertog
Jan II, ophield, wien hij
waarschijnlijk, bij zijnen inval in Zuid-Holland, in het jaar 1303
vergezelde; zekerder weet men, dat hij, kort daarna, met dien Hertog naar
Engeland is overgestoken, en Koning Eduard I, in
den oorlog tegen de Schotten behulpzaam is geweest. Ook sneuvelde er in het
jaar 1313 een Dekama voor Florance.
In het jaar 1402 werd Sikke Dekama tot Potestaat van Friesland verkozen, maar sloeg
dit uit nederigheid af, en prees daartoe Gale Hania aan; terwijl eindelijk, in het jaar 1492, de
achtenswaardige Juw Dekama
van Baard, door de Schieringers, tot dezelfde
waardigheid verheven werd. Dit geslacht is reeds
lang uitgestorven. Dit breede gebouw is thans in tweeën verdeeld; de oostelijke helft is het Grietenijhuis van Franekeradeel. De westelijke is een koffijhuis, behoorende aan A. Buwalda. |
|
DYLAKKER, voorm. b., prov. Friesland, thans en gedeelte der stad Franeker uitmakende. |
|
FRANEKER, gem., prov. Friesland,
kw. Westergoo, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen (3 m. k., 9 s. d.); palende N. aan het d. Dongjum, N. O. aan Schalsum en Sweins, alle in de griet. Franekeradeel gelegen, O. aan Welsrijp, in de griet. Hennaarderadeel, Z. aan Tjum en Hitsum, griet. Franekeradeel, W. aan Herbajum, griet. Franekeradeel. Deze gem. bevat de st. Franeker,
met haren Klokslag, als mede Franeker-Uitburen, eertijds het eerste dorp van de grietenij Franekeradeel, later daarvan afgescheiden en onder het behoor der
stad gebragt. Deze Uitburen strekken zich in de
lengte 1 1/4, en in de breedte 1 u. uit, en bevatten de buurten: Arkens, Salwerd,
Lutje-Lollum, Miedum, Doijum, Kie,
Lankum en War. In den Klokslag zij begrepen het Vliet, te Westen van de stad, en Vijfhuizen
en Zevenhuizen, ten oosten van Franeker, aan de trekvaart van Harlingen
en Leeuwarden gelegen. Van de vroeger in deze gemeente gelegene aanzienlijke
staten, mogen, als nog overig genoemd worden: Groot-Lankum van Mevr. de wed. B. Rodehuis en Salwerd, de
buitenplaats van den Heer Freerk Dirks Fontein, benevens Sjaardama, tusschen Salwerd en de stad, ongeveer ter plaatse, waar nog in de
eerste helft der vijftiende eeuw het kasteel van dat geslacht heeft gestaan; Roordaburg, tusschen den Leeuwarder trekvaart
en Lutje-Lollum, is in
de vorige eeuw, Klein-Lankum, zoo vermaard als de woonplaats van den beroemden
Petrus Camper, voor weinige jaren gesloopt. De stad was in vroeger
eeuwen aanzienlijk als hoofdplaats en regtszetel
van de Vijf Deelen, waarvan nog de gewoonte is
overgebleven, van de dijkbesturen dier deelen, om
hier op het raadhuis hunne hoofdvergadering te houden. Deze gem. beslaat eene
oppervlakte van 1723 bund. 73 v. r. 92 v. ell., telt 830 h., bewoond door
1152 huisgez., uitmakende eene
bevolking van ruim 5200 inw. Men vindt er 2
scheepstimmerwerven; 3 steenbakkerijen; 1 pottebakkerij;
3 fabrijken van dakpannen en estrikken;
3 saijetfabrijken; 2 wagenmakerijen; 1
houtzaagmolen, 1 pel- en 2 korenmolens. De Herv., welke
er 4000 in getal zijn, maken eene gem. uit, die tot
de klass. van Harlingen, ring van Franeker, behoort, en door twee Predikanten bediend wordt.
De eerste, die alhier het leeraarambt
heeft waargenomen, is geweest Johannes Acronius, die in het jaar 1572 herwaarts kwam en in het
jaar 1575 weder moest vlugten. De predikanten
worden beroepen door den kerkeraad, na bekomen handopening van de Regering, aan welke het gedane
beroep ook ter goedkeuring moet aangeboden worden. De Doopsgez., van welken men er 200 aantreft, maken er mede eene gem. uit, welke tot de Eerste klasse der provincie
Friesland behoort, en door eenen Predikant bediend
wordt. De 5 Evang. Luth., en de eenige
Herst. Evang. Luth.,
die er wonen, behooren tot de gem. van Harlingen. De R. K., die er 900 in getal zijn, onder
welke 700 communicanten, maken eene stat. uit, die
tot het aartspr. van Friesland behoort, en door éénen Pastoor bediend wordt. De Isr., van welke
men er ongeveer 30 aantreft, behooren tot de
bijkerk te Harlingen. Men telt in deze gem. 4 scholen, die door
een gemiddeld getal van 520 leerlingen bezocht worden. De stad Franeker
ligt 4 u. W. van Leeuwarden en 2 u. O. van Harlingen,
zeer gelegen voor den handel in granen en veldproducten, aan de trekvaart van
Leeuwarden naar Harlingen en de vaarten naar Barradeel, het Bildt, Sneek en Bolsward; terwijl de
straatweg van Leeuwarden naar Harlingen midden door
de stad loopt. Zij is de derde in rang onder de steden der provincie
Friesland, bevat in den omtrek een klein half uur gaans, beslaat binnen hare muren eene oppervlakte van
30 bund. 17 v. r. 94 v. ell.
en telt 637 h., bewoond door 835 huisgez., uitmakende eene bevolking van
ruim 3800 inwoners. het is eene oude stad, welke in
het jaar 1191, reeds stadsregten had. Eenige uitspringende hoeken, vooral in het Noordwesten, en
in het Zuidoosten uitgezonderd, is de gedaante genoegzaam eirond. De stad
heeft nimmer eenig geregeld bolwerk gehad, behalve
in het Oosten aan de Oosterpoort, en een ravelijn
vóór de Noorderpoort, zoodat
zij genoegzaam zonder eenige verdediging was, des niettegenstaande heeft zij echter, in het begin der
zestiende eeuw, eene strenge belegering uitgestaan.
Zij heeft voorts drie land- en vier waterpoorten. De Oosterpoort
of Dyksterpoort, weleer voorzien van eenen hoogen ronden toren, is
in de noordelijke flank het eenigste bolwerk der
stad, liggende daar eene lange valbrug over de
gracht. De Westerpoort is in het zuidwesten der
stad, aan den Harlinger straatweg, en had weleer
twee valbruggen, doch thans maar ééne vaste brug.
De Noorderpoort in het noordwesten, en in het
midden der vorige eeuw, geheel nieuw, in den Iönischen
smaak opgebouwd, is in 1842 afgebroken. Uit deze komt men in het ravelijn en
van daar over eene valbrug en een
fraaije steenen brug,
door een kostbaar ijzeren hek, ter wederzijden draaijende
in twee zware netgewerkte zuilen van blaauwen
steen, op den rijweg naar Dongjum. Niet ver van de Oosterpoort staat in den stadswal een oude toren met eenen zwaren pijnappel, de
Buiskool genoemd, aan welke de Leeuwarder Waterpoort is gebouwd. verder
noordwaarts had men vroeger de Dongjumer
Waterpoort, met twee ouderwetsche zeskante torens.
Thans ligt daar eene eenvoudige brug over de
uitvaart naar Dongjum. Verder Westwaarts stond in
den wal een oude dikke toren, diende tot een stads-kruit-
en amunitie-huis; niet verre van daar, even voorbij
de Noorderpoort, had men de Sexbierumer
Waterpoort, beide afgebroken en de laatste door eene
brug vervangen. Bij de Westerpoort is de Harlinger Waterpoort, boven welke men voorheen aan den
buitenkant, het volgende versje las: Urbs Hæcest Ergo bonos tantum, non cupit illa malos. (d. i. Deze stad is aan Christus, aan den
vrede en de muzen gewijd; daarom begunstigt zij zeer den goeden, doch niet
den kwaden). Tusschen deze poort en het oostelijke
ravelijn zag men weleer nog twee ouderwetsche, doch
half afgebrokene torens, welke thans geheel
gesloopt zijn. Tusschen de Noorder-
en Westerpoort springt de wal, met eene onregelmatige cirkeltrek, uitwaarts,
en sluit een stuk weiland in, dat weleer een diepe vijver was, in het midden
van welke het beroemde Sjaardama Slot, uit het
water was opgehaald. De ligging der stad is zeer behagelijk. Van den wal af ziet men rondom in eene uitmuntende landouw, terwijl de met vee als bezaaide
velden, het oog bekooren en een heerlijk gezigt opleveren. De stad is van binnen doorsneden met wateren, doch welke uithoofde van de nabijheid der zee,
als stroomende van Harlingen
door Franeker, soms brak zijn. Een aantal bruggen
of steenen pijpen zijn voor de gemeenschap der
onderscheidene buurten noodzakelijk, waarom er dan ook twintig gevonden
worden. In het jaar 1665 had op eene dier bruggen
een aanmerkelijk geval plaats. De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau, destijds terugkeerende
van de begrafenis des Frieschen Stadhouders Willem Frederik, had het ongeluk, door het breken daarvan, in
het water te vallen, en werd met moeite gered. Deze brug draagt na dit
voorval nog den naam van Mauritsbrug. Men houdt te Franeker
twee jaarmarkten, ééne in Julij
en ééne in October. Er
zijn koemarkten, in Mei en November, en eene paardenmarkt in October. Onder de openbare gebouwen komt hier
allereerst in aanmerking het Athenæum, voorheen het
hoogeschoolgebouw, thans nog wel het
bezienswaardigste dezer stad, en zulks te meer,
omdat geene akademie of athenæum onzes vaderlands met
dat van Franeker kan vergeleken worden, wat den gepasten vorm en doelmatige inrigting
van de akademische gebouwen en instellingen te zamen genomen, betreft. De nette akademiekerk,
ter zijde van den ingang en het binnenplein, met de gedenkteekenen
van A. F. van Schurman, Henricus
Antonides van der Linden, Pasor,
Amersfoordt, van Dunte enz; de welingerigte
collegiekamers, met de daarbij behoorende
verzamelingen, waaronder die van natuurkundige instrumenten bijzonder uitmunt;
het Theatrum Anatomium;
de senaatkamer met de afbeeldingen van de meeste Hoogleeraren,
die hier overleden zijn; de bibliotheek, in het jaar 1783 met een aanzienlijk
legaat van Abraham Frederik van Schurman,
eenen kleinzoon des broeders van de zoo vermaarde
Anna Maria van Schurman, verrijkt, alwaar, behalve
12,000 of 13,000 boekdeelen, tevens eene kast bewaard wordt met
zeldzaamheden een aantal portretten, werkdoosjes, bijbels enz. van Anna Maria
van Schurman; alsmede nog eenige
portretten der oudste Hoogleeraren en eene zoogenaamde hout-bibliotheek,
bevattende doozen, in den trant van boeken, de
bladeren, bloemen, zaden enz. van verschillende boomen;
de onmiddellijk hiernevens gelegen fraaije Hortus
Medicus, met de oranjerie en de ruime woning des Hoogleeraars
in de Botanie; het afzonderlijke Laboratorium Chemicum;
dit alles is vereenigd op eene
wijze, welke deze voortreffelijke instelling groten luister bijzet. Het stadhuis, ten deele
een oud gebouw, is in het jaar 1591 gesticht, en zeer net gemaakt naar den
smaak van die tijden. Het staat met den voorgevel naar het Oosten, doch thans
is slechts het voorste gedeelte van dit oude gebouw in wezen, zijnde het
achterste of Westelijke gedeelte, in het jaar 1760, zeer fraai geheel nieuw
opgebouwd. Men gaat in dit gebouw langs eenen
stoep, welke van weerskanten zes trappen heeft, door eenen
ruimen ouderwetschen ingang, die met gepaste
wapenen, beeldwerk en opschriften versierd is, en een ruim voorportaal, dat
twee kruiskozijnen ten Oosten en vier ten Noorden heeft, benevens
eene pui met drie ramen. Dit gebouw is voorst van allezins geschikte vertrekken voorzien, waaronder eene groote fraaije
raadkamer. Boven op dit gebouw ziet men eenen toren
van een fraai maaksel, waarin de stads klok hangt.
Ten Zuiden van het oude Stadhuis is, in het jaar 1760, een net nieuw gebouw
gesticht, dienende beneden tot eene woning voor den
Kamerbewaarder en boven tot eene wachtkamer. De Stadswaag, in het jaar 1504, door den
Hertog van Saksen geoctrijeerd, is zeer wel
gelegen, als zijnde op de Voorstraat, boven eene steenen brug gemetseld, waardoor de goederen, aan den
achterkant, door middel van een windas, uit de doorvarende schepen geligt en ter wage gebragt kunnen worden. Boven de Waag is een ruim vertrek,
thans dienende tot een Magazijn van kleeding en
wapening voor de Schutterij. Het Grietenijhuis van Franekeradeel, aan de Breede plaats,
zijnde een gedeelte van het Oude Dekama-huis, is mede een zeer doelmatig gebouw. Hoogst bezienswaardig is het Planetarium of
beweegbare Hemelstelsel, dat door den eenvoudigen
Wolkammer Eise Eisinga
van Dronrijp, van 1773 tot 1780, geheel alleen
uitgevonden en in zijne snipperuren vervaardigd is.
De beweging van bijna alle de planeten of
dwaalsterren rondom de zon heeft hij aan den zolder van eene
binnenkamer, in zijn woonhuis, voorgesteld en daarboven door een uurwerk in
beweging gebragt, zoo kunstig en naauwkeurig, dat het de bewondering van menschen uit bijna alle oorden der wereld opwekt. Het
rijk is door aankoop eigenaar geworden van dit kunstwerk en van het gebouw,
waarin het gevonden wordt. Het voortdurend behoud
daarvan is dus verzekerd, terwijl de dankbare stad of wel de edelmoedigheid
van Jonkheer Idsert Æbinga
van Humalda, voormaals
Gouverneur van Friesland, den maker nog bij zijn leven, vereerde, door het
plaatsen van zijne beeldtenis op de raadzaal van
het stadhuis. De Hoofdkerk, thans de eenige,
die bij de Herv. gebruikt wordt, was voor de Reformatie aan den H. Martinus, Bisschop van Tours, toegewijd. Destijds waren
in deze kerk onderscheidene vikarijen en prebenden:
als eene vikarij van St. Catharina, eene vikarij van St. Nicolaas, eene prebende van St. Jan, eene
andere van de H. H. Chrispinus en Crispinianus, eene derde van de
Lieve Vrouwe ter nood en ene vierde prebende, Sjaerdema-leen
genaamd. Alle deze vikarijen en prebenden werden
door Priesters bediend; zoodat er zes Priesters,
gedurende de godsdienstoefening, ten dienste van den Pastoor stonden. De
pastorij bragt 300 goudgulden (450 guld.) op, de eene vikarij 200 goudguldens (300 guld.).
Twee prebenden bragten evenveel op als die vikarij: de twee andere prebenden hadden een inkomen van
100 goudgulden (150 guld.). De Proost van de St. Janskerk te Utrecht trok van de pastorij 31
postulaatguldens (62 guld.). In het jaar 1543 zijn
de vaten, tot de kerkelijke dienst behoorende, uit
de hoofdkerk gestolen. Het gebouw is ruim 88 ell.
lang. Van binnen ziet men, aan weerskanten, eene
rij van 32 pilaren, die geheel om het koor rondloopen.
De kerk heeft drie ingangen, een in het Oosten, een andere in het Zuiden en
de derde in het Noorden. tegen het Westen staat de toren, ongeveer 63 ell. hoog, zijnde de spits thans iets lager dan vóór den Hemelsvaartdag van 1714, toen de toren, van boven door
den bliksem getroffen, voor een gedeelte afbrandde, hoewel verdere rampen,
door de waakzaamheid der inwoners, tijdig werden gestuit. Weleer had deze
toren een omgang van zwaren hardsteen, doch thans
bestaat zij uit eene ijzeren ballustrade.
In den toren is een uurwerk met vier wijzerplaten, waarin drie klokken
hangen. Binnen in de kerk, tegen den toren, vindt men een zeer schoon orgel,
dat in het jaar 1842 is voltooid, en de plaats vervangt van een sedert lang onbruikbaar werk. In de kerk zag men voorheen eene menigte gedenkteekenen van
adellijke familiën, die hier weleer hebben
gebloeid, gelijk ook eenige voorname Hoogleeraren. Deze werden in het jaar 1796 weggenomen en
later heeft slechts mogen gelukken twee daarvan eenigzins
te herstellen. De predikstoel, die eenvoudig doch welgemaakt is, wordt tegen
een der pilaren in het Noorden gevonden. Wat oostelijker is de bank van de
stadsregering, en daar tegenover die der Hoogleeraren
van het athenæum, hebbende deze banken in het
Oosten beide eenen halven
cirkel, waarmede zij nabij elkander komen. Ook vindt
men hier vele gestoelten, weleer door ridderlijke geslachten, die te Franeker de voornaamste huizen hebben, bezeten en
gedeeltelijk tegenwoordig bij die huizen behoorende.
Eindelijk hangen in de kerk vier koperen kaarsenkroonen. De Doopsgezinde Kerk, op de Zilverstraat,
in een achterhuis aan den Stadswal grenzende, en van voren door eene lange steeg ingaande, is van binnen zeer net, gaande
men daarin door een dubbele deur, wanneer men tegen den zuidoostelijken
muur den predikstoel, en ter wederzijden de Diakenbank heeft; boven de
zitbanken, aan de drie overige muren vindt men gaanderijen, welke op net
bewerkte pilaren rusten. De R. K. kerk, aan den H. Franciscus toegewijd, stond vroeger in de Zilverstraat;
zij was boven het woonhuis van den Pastoor, en in het midden der vorige eeuw
bijna geheel vernieuwd en met een gewelf voorzien; het groote
altaar stond tegen het Noordoosten, en was fraai versierd; daar tegenover zag
men het orgel op eenen hangzolder, en in den omtrek
gepaste beelden en schilderijen. De tegenwoordige, mede aan den H. Franciscus toegewijd, is in het jaar 1831 gebouwd en
staat aan Godsakker. De Nieuwe Begraafplaats buiten de stad is
zeer voortreffelijk ingerigt en levert vele fraaije gezigten op de
omliggende dorpen en landerijen op. Het Blaauw- of Klaarkampster-Weeshuis, aan de Dijkstraat, bij de
zoogenoemde Prins Mauritsbrug, is een ruim gebouw,
zeer bevoordeeld door Gerardus Agricola,
een man van groote geleerdheid, en Abt van
Klaarkamp, in dit huis overleden den 17 September
1598, hetwelk naar hem het Klaarkampster-Weeshuis
genoemd wordt. Het getal der kinderen is altoos het
zelfde, staande de begeving van eenige plaatsen aan
voorname huizen en familiën, en die der overigen of
niet op zijn tijd vervulde, aan den vrijdom van het Weeshuis. Dit huis is
tamelijk gegoed, heeft eene fraaije
binnenplaats, en wordt zeer net onderhouden. Aan den zijmuur van dit gebouw
is een aanzienlijk monument, verbeeldende, in eenen
zwaren steen verheven uitgehouwen, het ongeval aan
Graaf Johan Maurits van Nassau op de Kettingbrug
overkomen, met dit opschrift: Ao. 1665
den 6 Jan. N. Styl wert sijn Doorl. Fust Gen. Johan Mauritsz Forst tot Nassau, hier wonderlijk uyt Watersnoodt verlost. Het Proveniershuis is thans een oud enkel
huis van eene verdieping, op de Schilbanken, met eene steeg aan den Oostkant, door welke men naar de
kamertjes gaat, die acht in getal zijn. Weleer was dit gebouw een openbaar huis,
hetwelk door den Stadsrentmeesters werd bestuurd en
aanzienlijke goederen bezat; doch door de kwade besturing der stadszaken,
omtrent het midden der zeventiende eeuw, zijn al die goederen te zoek
geraakt, en het huis zelf is een eigendom geworden van bijzondere personen,
die de kamertjes geven aan behoeftige lieden, welke niet alleen geene andere voordeelen
trekken, maar ook nog zelf de kamertjes moeten onderhouden. Het Westerhuis-vrouwen-Gasthuis,
zijnen uitgang hebbende in het Nieuwhof, is zijne stichting verschuldigd aan de liefdadige schikking
van wijlen Mevrouw Westerhuis. Deze, behalve vele
andere aanzienlijke goederen, ook het Martenahuis te Franeker in eigendom
bezittende en bewonende, vermaakte bij uitersten wil 6000 gulden, tot opbouw
van 18 kamers, voor weduwen of oude deugdzame vrijsters, te bouwen naast den
hof der overledene, achter het groote huis en tot
onderhoud, zoo der kamers als tot ondersteuning der daarin geplaatste weduwen
en vrijsters, vier boerenplaatsen, en al hare obligatiën
op de stad Dockum; stellende tot Regenten van dit
gesticht de Diakenen der Hervormden. Ingevolge van
dien werd dan ook door Diakenen dit huis gesticht, en wordt het nog steeds in
stand gehouden. Het huis zelve is een net gebouw en
van eene vierkante gedaante, in het midden een
fraai en ruim bleekveld hebbende, waar langs men, op een steenen
gangpad, voor de vensters der kamers kan rond wandelen. Het Armhuis, hetwelk,
in de jaren 1785 en 1786, in het noordelijk gedeelte van den ouden tuin van Sjaardama-huis, is gebouwd, zoo tot huisvesting van
bejaarde stadsarmen en kinderen, die anders bij gemeene
lieden besteed moesten worden. Dit gebouw is een groot dubbel dwarshuis, waarin vele vertrekken zijn, en is met zijne
voorste zijde naar de aldaar noordwaards
loopende stads binnengracht gekeerd, waarin met
tien schuiframen, benevens eene groote
deur in het midden en twee kleinere zuid- en noordwaarts telt. Nog heeft men hier ook een Diakonie Weeshuis, op den hoek van de Voorstraat, waar
deze naar de Vijverstraat draait, weleer het Zwart-Weeshuis
genoemd naar de kleeding
der kinderen, en tot onderscheiding van het Burger-Weeshuis,
waarin de kinderen in het blaauw gekleed zijn. Dit
huis, te voren Rozendal genoemd en van sommigen voor eene
herberg gehouden, werd in het jaar 1668 tot een Weeshuis verbouwd. Het was
ruim en kon vele kinderen bevatten. Onder de wetenschappelijk inrigtingen te Franeker,
verdient vooral melding het Athenæum. Oudtijds was het eene akademie
of hoogeschool, en naast die van Leyden de oudste in ons Vaderland. Zij werd in 1585 opgerigt, en was meer dan twee eeuwen de kweekplaats van
een groot aantal beroemde mannen, in alle vakken van geleerdheid; maar inzonderheid, gedurende eenen geruimen tijd, de zoo aanzienlijke godgeleerde school van
Coccejus, van 1636 tot 1650; en ook de beide niet
min vermaarde letterkundige scholen, die der Oostersche
talen van Schultens van 1715 tot 1729, en die der Grieksche van Hemsterhuis en Valckenaer van 1717 tot 1766, zijn er mede eerst
ingesteld en gevormd, eer zij naar Leyden werden overgebragt; gelijk mede eene
wiskundige school van 1595, van Adrianus Metius, begonnen, onafgebroken door een aantal Hoogleeraren, die allen inboorlingen van Friesland waren,
daaraan roemrijk is voortgezet. In het jaar 1811 is deze Akademie,
ofschoon toen nog in goeden bloei, door den Franschen
Keizer vernietigd, waarna bij Koninklijk besluit van 2 Augustus
1815, alhier een Athenæum is opgerigt,
waarbij, uit aanmerking van de oude verdiensten der Akademie,
ook voor het onderwijs in de geneeskunde twee Hoogleeraren
werden aangesteld. In vroegere tijden studeerden aan deze Akademie
ook vele buitenlanders als: Franschen, Engelschen, Duitschers,
Hongaren, Pruisen, Noorwegers enz., en werden aldaar gepromoveerd zóó was zij overal vermaard geworden.
De staten van Friesland, besloten daarom hier eene
gelegenheid open te stellen, alwaar voor het minst 60 studenten zoowel
Nederlanders als buitenlanders, dagelijks open tafel hadden en goed onthaald
werden voor f 45,00 's jaars, naar de tegenwoordige
Nederlandsche munt berekend; naderhand werd deze
prijs tot op f 72,80 verhoogd. Thans telt men te Franeker
25 Studenten, aan welke door 6 Hoogleeraren en 3
Lectoren onderwijs wordt gegeven. Voorts heeft men er eene
voortreffelijke Latijnsche school, met 20
leerlingen, waar door eene Rector en eenen Conrector wordt onderwijs gegeven. Ook is er een
Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't
Algemeen, dat den 1 September 1809 is opgerigt en
70 Leden telt. - Nog is er een Postkantoor gevestigd. Onder de beroemde mannen die te Franeker geboren zijn, verdienen vooral melding, de
Godgeleerden: Sixtinus Amama,
geb. 15 Oct 1595, †
Nov. 1626, als Hoogleeraar in de Oostersche Letterkunde te Franeker;
Hendrik Brink, geb. 24 Sept. 1667, † 9 Junij 1723, als Predikant te Utrecht, en Campegius Vitringa de zoon, geb. 24 Maart 1693, † Januarij 1723, als Hoogleeraar
in de Godgeleerdheid te Franeker. De regtsgeleerden:
Bernardus Schotanus, geb.
7 Oct. 1584, † 5 Oct.
1652, als Hoogleeraar in de Regten
aan de Hoogeschool te Leyden,
na eerst in die wetenschap eenen Leerstoel te Franeker, en vervolgens te Utrecht te hebben bekleed, en Bavius Voorda, geb. 1 Julij 1729, † 9 Julij 1799, als Hoogleeraar in
het Romeinsche en hedendaagsche
burgerregt aan de Hoogeschool
te Leyden. De Genees- en Scheikundigen: Johannes Mulder: Adolf Ypey, geb. in 1749, † 28
Feb. 1822, als Hoogleeraar in de Geneeskunde te Leyden, na eerst den leerstoel in de geneeskunde en
daaraan verwante wetensschappen in zijne geboortestad te hebben bekleed, en Sebaldus Justinus Brugmans, geb. 24 Maart 1763, † 13 Julij
1819, als Hoogleeraar in de Natuurlijke
Wijsbegeerte, Natuurlijke Historie en Scheikunde aan de Hoogeschool
te Leyden. De Wis- en Zeevaartkundigen:
Johan Zems en Pibo
Steenstra. De Wijsgeer Frans Hemsterhuis,
geboren in het jaar 1720, † in Junij 1790. De Geschiedschrijver Mr. Joacobus Scheltema, geb. 14 Maart 1767, † 25 October 1835, als Griffier van het Hoog Militair Geregtshof, te Utrecht. De Friesche
Dichter Jan Althuizen, geb. in 1715, † 9
Augustus 1763. De latijnsche
Taalgeleerden: Jacobus Terpstra,
geb. in 1742, † 3 Junij
1805, als Hoogleeraar in de oude Letterkunde te
Deventer, en Everhard Waardenburg,
geb. 1 Jan. 1792, † in 1839, als rector der Latijnsche
scholen te Arnhem; terwijl hij aan de studie der oude Letteren, die der schoone kunsten paarden, en zoowel in teeken-
en schilder- als in toonkunst, blijken van meer dan gewone bedrevenheid aan
den dag legde. De latijnsche
Dichters: Greorgius Arnoldus
(George d'Arnaud), geb. 16 Dec. 1711, † 1 Junij
1749, als Hoogleeraar in de Regtsgeleerdheid,
aan de Hoogeschool te Franeker;
terwijl hij tevens een niet onbekwaam Grieksch Dichter was; Gadso Coopmans, geb. in 1746, † 5 Aug. 1810, na eerst Hoogleeraar in de Koppenhagen, en eindelijk te Kiel te
zijn geweest, en Hendrik Waardenburg, geb. 10 Feb. 1760, † 23 Aug. 1812, als rector der Latijnsche scholen te Haarlem, welke laatste mede de Nederduitsche lier handteerde. De Staatsman Mr. Joan
Valckenaer, geb. in Februarij 1759, † 25 Jan. 1814, na eerst Hoogleeraar in de Regten in zijne geboortestad, later Hoogleeraar
in het Staats- en bijzonder Regt te Leyden, en vervolgens Afgezant van den Staat aan het Hof
van Spanje te zijn geweest. In het jaar 1496 werd de stad Harlingen, waarin de Groningers in bezetting lagen, door
die van Franeker bij verrassing ingenomen, doch het
aldaar gestichte blokhuis, waarop de bezetting de vlugt had genomen, door hen vergeefs belegerd, waarom zij
weder terug keerden, na alvorens Harlingen
geplunderd en gedeeltelijk verbrand te hebben; ook voerden zij in zegepraal
de hier verooverde Groninger busse
met zich. Toen, in het volgende jaar, die van
Groningen uit vrees het blokhuis verlieten, werd het door die van Franeker geslecht, alsmede het geschut en verdere
voorraad van oorlogsbehoeften mede gevoerd. Toen eenige
jaren later, Hertog Albrecht van Saksen, door de
tweespalt der Friezen, gelegenheid kreeg om het land te overheerschen,
stonden die van Franeker bijzonder in zijne gunst, zoo zelfs, dat hij daar doorgaans zijne
hofhouding hield. Zijne gestrenge en met de gemaakte
verdragen strijdige regering verwekte inmiddels tegen hem zoodanig den haat
der geheele provincie, dat de inwoners, over het
algemeen, in een eedgespan tegen hem optraden, onder het beleid van Sjoerd Aylva, Tjerk Walta, Douwe Hiddema, en Dothias Bonga. Deze verzamelden zoo men zegt, zestien duizend man
bij elkander, en belegerden, bij gelegenheid dat
Hertog Albrecht buiten 's lands
vertrokken was, zijnen zoon Hendrik, die het volk door zijne wreedheid grootendeels verbitterd had, binnen Franeker,
zijnde zij voor deze stad verschenen op den 12 Mei des jaar 1500. Van tijd
tot tijd kwamen er vreemde knechten in het land, het oogmerk om heimelijk in
de stad te sluipen en den Hertog, die het begon te kwaad te krijgen, te
helpen, doch om dit te beletten bedachten de Friezen eene
leus, welke alle personen, die in het leger kwamen, hen moesten nazeggen, om
te bewijzen dat zij Friezen en geene vreemdelingen
waren, en aldus luidde: Fjouwer Lotter
claere ljiep-aayen op in finne-herne in ien nist, d. i.: vier beproefde
klare kievitseijeren op den hoek van een weiland in
een nest, wordende alle degenen, die deze woorden niet met de vereischte vaardigheid konden uitspreken, zonder eenige genade, in het water geworpen. Deze belegering
bekwam den Friezen intusschen zeer slecht, naardien
Hertog Albrecht, met een magtig
leger terugkeerende, het Friesche
leger voor Franeker, dat reeds
voor een gedeelte gevlugt was, op den 16 Julij geheel versloeg, en het geheele
land met moord en brand vervulde. Die van Franeker daarentegen werden, wegens hunne getrouwheid, door den
hertog zeer begunstigd, en ontvingen, na den dood van dien Hertog, uit handen
zijner beide zonen, George en Hendrik van Saksen, eenen giftbrief, welke hier hoofdzakelijk op neerkomt:
„dat de Hertogen aan die van Franeker
schenken vrijdom van accijns op binnen de stad gebrouwen bieren; daarbij 200
morgen Bildtland, waaruit zij hunnen vestingwerken
zouden kunnen verbeteren en eene vaart graven naar Harlingen, en eindelijk de vrijheid om alle weken eenen marktdag, en tweemalen in het jaar eene vrije jaarmarkt te houden, alles tot belooning voor de getrouwheid der stad jegens de
Hertogen. Gegeven op Vrijdag na den Zondag Oculi, in het jaar 1501." In het jaar 1572 had Franeker
ook zijn deel aan de toen voorgevallene onrust; zelfs wisten de voorstanders
der ontluikende vrijheid te bewerken, dat de Graaf van Schouwenburg met 's Prinzen volk werd binnengelaten, die daarop Sjaardema-huis in bezit nam, en door zijne soldaten het
Vliet en meer andere buitenbuurten deed verbranden, om zooveel te beter tegen
alle aanslagen zijner vijanden gedekt te zijn. Doch eerlang verliet
Schouwenburg de stad, waarop de nog Spaanschgezinde
regering, in weerwil van wien dit alles geschied
was, van den Spaanschen Stedehouder, den Kolonel Caspar Robles, vergiffenis verzocht en verkreeg. Wat
later werd Franeker, benevens
eenige andere steden van Friesland, wederom door 's
Prinsen volk ingenomen, doch na eenigen tijd ook
wederom verlaten, zijnde na dien tijd de stad, met geheel Friesland, onder de
Spaansche Regering gebleven, tot in het jaar 1576,
wanneer zij, door het vatten van Billy te
Groningen, en voorts door de Gentsche bevrediging,
in der Staten handen kwam. Na velerlei lotwissel, heeft Franeker eene groote rol gespeeld in de burgertwisten van het laatste
der vorige eeuw. In het jaar 1786 werd te Franeker
een Burger-societeit opgerigt,
tot welke alle dienstdoende en Honnonaire Leden der
schutterij en van het genoodschap des wapenhandels
zich konde laten inteekenen.
In laatstgemelde hoedanigheid begaven zich daartoe
de Hoogleeraren J. Valckenaer,
G. Coopmans en T. van Kooten,
welke eerste de vergadering met eene redevoering
opende, hetgeen bij velen niet weinig opspraak
baarde. Sinds lang was te dier stede de wapenhandel met vlijt beoefend, zoodat men bedacht werd, om, ter grooter
volkomenheid, de behandeling des geschuts daarbij
te voegen. Eenige soldaten, die zich als honoraire
leden van het wapenhandelend genoodschap
hadden laten inschrijven, zouden dit Artilleristenkorps tot stand brengen, en
van de stad een of meer stukken ter leen vragen. men vond hierin nogtans zoo veel zwarigheid, dat het achterwege bleef, en
die jonge lieden zich met het lidmaatschap, zoo des genootschaps
als der Burger-societeit, vergenoegden. In eene kleine akademiestad, waar
de letteroefende jeugd, bij den burger gehuisvest,
natuurlijk op de bewoners veel invloed heeft, groeit de partijschap
eigenaardig aan. De bezorgers der hoogeschool zagen
de versterking, welke de burgerpartij kreeg, door het voorbeeld der Hoogleeraren en den invloed der Studenten, met een
zorgelijk en ongunstig oog aan, waarom zij te rade werden, in December den toenmaligen Rector
Magnificus, Valckenaer, voor zich te ontbieden, en
hem te verzoeken, alle gepaste middelen aan te wenden, om de Burger-societeit, zoo door de Hoogleeraren,
als door de akademie-burgers, te doen verlaten. Een
voorstel, dat wel verre van gevolgd te worden, een geheel tegenstrijdige uitwerking
had. Althans, onmiddelijk nadat de Heer Valckenaer van dit onderhoud terugkwam, deed de Hoogleeraar in de godgeleerdheid S. H. Manger, zich mede als Lid der Burger-societeit
inschrijven, en voeren de Hoogleeraren voort, niet
alleen met die vergaderingen bij te wonen, maar, zoo men verzekerde, daar eene hoofdrol te spelen. Dit had ten gevolgen, dat de
vier genoemde Hoogleeraren, op voorstel der
Curatoren, werden afgezet, waarop zij plegtig
afscheid van de letteroefenende jeugd namen, hetwelk
niet slechts groote aandoening bij de akademie-burgers verwekte, maar geheel Franeker deel deed nemen aan het leed deze Hoogleeraren aangedaan, aangezien men daaruit het verval
der hoogeschool tegemoet zag. De opengevallen Hoogleeraars-plaatsen aan te vullen was wel eene eerste poging van Curatoren, doch dit ging niet
vlot. Welhaast ook kreeg Franeker eene gedaante, die zeer weinig naar eene
akademiestad geleek. De
ligging dier stad, te midden van die gedeelten in Friesland, waar de
burgerbewapening den meesten opgang gemaakt had,
gevoegd bij de heerschende gezindheid der burgeren zelve, maakte die stad eigenaardig het middelpunt der patriotsche bewegingen van Krijgs-
en staatkundigen aard. het begon hiervan vertoonde zich den aanvang van Mei
1786, toen er te Franeker een gerucht ontstond, dat
de Regering van Gedeputeerde Staten last ontvangen had, om krijgsbezetting in
te nemen. De burgerkrijgsraad vroeg daaromtrent
opening en bevond, dat het ingekomen stuk eene
bepaling van Gedeputeerde Staten behelsde, waarbij zekere tol, die de
krijgsraad des nachts van de doorvarende schippers van Leeuwarden op Harlingen vorderde, werd opgeheven. Dit had eenigen tijd in geschil gehangen. DE uitspraak, ten nadeele van den Franeker
krijsraad, was genoeg, om te dezer dagen te doen verklaren, dat zij in dit
voorval niet gezind was, het bevel van Gedeputeerde Staten op te volgen. Wel
begrepen zij, dat zulk eene weigering het zenden
van krijsvolk, om de ongehoorzamen te dwingen, ten
gevolge zou hebben, en dat, was het loopende
gerucht, van last om krijgsvolk in de stad in te nemen, thans niet gegrond,
dit echter eerlang zou geschieden. Op deze verwachting steunde de eisch des krijgsraads, dat de
Regering een grooter voorraad van kruid en kogels
in de stad zou doen brengen. Dit vorstel werd ingewilligd, doch het
overzenden werd vertraagd tot in het laatst van Junij,
toen de aangroeijende onlusten de Gedeputeerde
Staten van Friesland deden besluiten, om den invoer van kruid en lood, en
alle verdere oorlogs-ammunitie te verbieden, hetwelk ten gevolge had, dat het kruid, voor Franeker bestemd, even vóór de openbare afkondiging van
dit verbod, te Harlingen binnenkwam, en daar in
beslag genomen werd, om er het admiraliteits- en
stadsmagazijn, gebrek aan kruid hebbende, mede te voorzien. Middelerwijl was men te Franeker
niet onledig geweest, maar men had een defensiewezen opgerigt,
waaraan de stadsregering vrijheid gaf, om de wallen zoodanig te versterken,
als zij het noodig oordeelde. Het ontwerp der
Studenten te Franeker om een genootschap Artilleristen
op te rigten, was wel te niet geloopen,
dan het daarstellen van burgers, die met geschut
konden omgaan, geenszins uit den zin gezet; en
hoewel de Staten der provincie Friesland een verbod deden uitgaan, tegen het
behandelen van geschut door de vrijkorpsen, wist men te Franeker
dit te ontduiken, met te beweren, dat het alleen zag op exercitie-genootschappen,
maar niet op schutterijen, waarom allen, die onderwijs in de behandeling des geschuts begeerden, en geene
schutters waren, zich als leden van eer der schutterij lieten opschrijven, en
in de behandeling des geschuts lessen namen, van
de, te dier stede ontbodene, Overijsselsche
en Utrechtsche kanonniers. Met grooten
weerzin zagen velen deze behandeling des geschuts,
en lieten niet na, de Staten onder het oog te brengen, de onvermijdelijke
noodzakelijkheid om Friesland van een kompagnie
bekwame Artilleristen te voorzien. De gewapende burgers stonden hierdoor eene overmagt op het krijgsvolk
te krijgen, en de kans zeer hagchelijk te doen
worden, wanneer men, zonder geschut, meer of min verschanste, en daarvan
voorziene genootschappen zou moeten aantasten. De Staten van Friesland
verzochten dus om Artilleristen, en hun verzoek werd gehoord. Toen later de oneenigheden in Friesland zoo
hoog stegen, dat de Staatsleden zich in twee vergaderingen smaldeelden, bleef de eene,
namelijk de aanklevers van den Stadhouder, hare
bezittingen in de hoofdstad Leeuwarden voortzetten, doch de andere verkoos de
stad Franeker, doch verre de meeste die van Franeker, welke in denpersoon van Coert
Lambertus van Beyma, eene de ijverste voorstanders,
en eenen opzettelijken
verdediger in geschrifte vond. Na lange over-en weder-worstelingen, waardoor allerweg
door het geheele gewest, groote
en menigvuldige opschuddingen en bewegingen voorvielen, vond zich de patriotsche aanhang genoodzaakt
van zijne oogmerken af te zien. Franeker, even als
Utrecht, rijkelijk voorzien van gewapende manschappen, uit verschillende
oorden derwaarts zamengevloeid, werd door dezen
verlaten, nadat alvorens de Staatsleden daarvan het voorbeeld hadden gegeven.
Alles keerde, eerlang, tot de aloude gesteldheid weder.
Merkwaardig is het vonnis sedert over de stad Franeker tot straffe van het aldaar voorgevallene, door
het Hof van Friesland geveld. Het bestond uit drie artikelen, welke
inhielden: 1o „De fortificatie penningen, welke anders aan
de stad Franeker werden besteed (zij bedroegen drie
duizend gulden), zouden worden ingehouden tot nadere dispositie van hun Edel Mogenden; 2o het stads
kanon, mitsgaders de geweren, vaandels, trommen en soortgelijke goederen der
schutterij moesten naar Leeuwarden in 's lands
arsenaal overgebragt en deze schutterij, namens hun
Ed. Mogenden, ontzegd worden, met snaphanen ter
wacht te trekken en ergens alzoo gewapend te
verschijnen; - 3o. de deuren uit de stads landpoorten en de hekken
daarvoor, alsmede de deuren of hekken uit de
waterpoorten, en de boomen in de stadsgracht
liggende, zouden uit- en weggenomen en op eene
veilige plaats in de stad gebragt worden; en
voorts, in het generaal, moest men beletten, dat door het ophalen van bruggen
of anderzins de toegangen werden belemmerd of de
stad op eenige manier gesloten." Weinige dagen
na het verstrijken van dit vonnis werd het volvoerd. Der opteekening
waardig is het, dat niet een eenig burger van Franeker, hoewel door het uitloven van dubbele en hoogere dagloonen daartoe
uitgelokt, tot het medewerken aan dien door hen verfoeiden arbeid de hand
wilde leenen. Drie Smidsbazen, zonder afspraak
gemaakt te hebben, of iets van elkander te weten,
weigerden hunne gereedschappen te leenen of te
verhuren; men moest zich alzoo van soldaten, onder opzigt van 's lands baas,
bedienen. De deuren der poorten en de hekken werden in de kerk gebragt, met zware ketenen aan elkander
gekoppeld en met groote sloten vastgemaakt. Na de
omwenteling van het jaar 1795 werden zij echter op den 5 Maart
met groote plegtigheid
weder van daar gehaald en ingehangen. Het wapen der stad Franeker bestaat in een veld van azuur (blaauw), beladen met eene klok van zilver. het schild gedekt door eene kroon, en vastgehouden door twee maagden met palmtakken, alles van goud. |
|
FRANEKER, kerk. ring, prov.
Friesland, klass. van Harlingen. Zij bestaat uit de volgende 11 gemeenten: Franeker, Achlum-en-Hitzum, Dongjum, Dronrijp, Herbaijum, Peins-en-Sweins, Ried-en-Boer, Schalsum, Schingen-en-Slappeterp, Tjum, Welsrijp-en-Baijum, telt 700 zielen, en bevat 16 kerken, bediend wordende door 12 Predikanten. |
|
FRANEQUERA, Lat. naam van de stad Franeker, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Franeker. |
|
HOTTINGAHUIS, later Offenhuizerhuis,
voorm. adell. h., prov.
Friesland, in de stad Franeker, in de Voorstraat (Zuidzijde). Dit huis wordt thans in eigendom bezeten en bewoond door den Heer Stroband. |
|
KRUISBROEDERS-KLOOSTER, ook wel Kruisheeren-klooster
genoemd, voorm. kloost te Franeker,
aan de westzijde van de stad. Het werd in het jaar 1468, of, zoo als anderen
willen, in het jaar 1476, gesticht door Siardus Watkens, pastoor van Arum. Om
dit klooster te bevolken, werden er zes Priesters uit het klooster, Zie verder pagina 674. |
|
KRUISHEEREN-KLOOSTER, voorm. Kloosters, te Franeker, ‘s Hertogenbosch, Maastricht, Roermonde, Tholen en Venlo. Zie Kruisbroedersklooster. |
|
LANKUM (GROOT-), state, prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 3 1/2 u.
W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. O. van Harlingen,
gem. en 15 min. W. van Franeker. deze state, welke eene oppervlakte beslaat van 6 bund. 99 v. r. 2 v. ell., wordt thans in eigendom bezeten door Mevrouw de wed. Pieter Rodenhuis, woonachtig te Harlingen. |
|
LANKUM (KLEIN-), voorm. state, prov.
Friesland, kw. Westergoo,
arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. O. van Harlingen, gem. en 20 min. W. van Franeker. De beroemde Petrus Camper, die den 11 Mei 1722 geboren was, en den 7 April 1789 overleed, na
tien jaren Hoogleeraar in de genees-, heel-, en
kruidkunde aan de Groninger hoogeschool te zijn
geweest, heeft, gedurende veertien jaren, op deze state zijn verblijf
gehouden. Het huis is in het jaar 1830 gesloopt. Ter plaatse, waar et gestaan heeft, ziet men thans eene arbeiderswoning. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 5 bund. 7 v. r. 36 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door onderscheidene personen, woonachtig te Franeker. |
|
LANKUM (NIEUW-), landhoeve, prov.
Friesland, kw. Westergoo,
arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. O. van Harlingen, gem. en 15 min. W. van Franeker. Deze landhoeve, eene oppervlakte beslaande, van 70 v. r. 70 v. ell., behoort in eigendom aan de erven van J. J. van Lankum. |
|
LANKUM, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 3 1/3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. O. van Harlingen, gem. en 15 min. W. van Franeker; met 4 h. en 20 inw. |
|
LANKUM, landhoeve, prov.
Friesland, kw. Westergoo,
arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Harlingen,
gem. en 15 min. W. van Franeker. Deze landhoeve, eene oppervlakte beslaande, van 38 v. r. 90 v. ell., wordt thans in eigendom bezeten door den Heer Klaas Zeper. |
|
LOLLUM (LUTJE-) of Lutke-Lollum, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. van Harlingen, gem. en 20 min. W. van Franeker; met 7 h. en ruim 50 inw. |
|
MARTENAHUIS, oud adell. h., prov. Friesland, te Franeker, aan de zuidzijde van de Voorstraat, welks vaste, dikke muren en gevels van ouden zwaren steen, in nog weinig veranderde gedaante en
omtrek, den stouten bouwtrant der vijftiende eeuw vertoonen. Men heeft eenen
achtkanten toren, et peervormig koepeldak en vergulden windwijzer, en is nog vereenigd met de zelfde uitgestrektheid gronds, in den zuidwaarts daar achter liggenden
tuin en beplanting. Het is eene
bijzonderheid van dit huis, dat, ofschoon de stichter, Hessel
van Martena, † un
1517 op het eiland Rhodus, zijnen geslachtnaam met
zich in het graf nam, welke door zijn broeder Doeke
alleen in nakomelingen voortduurde, het gebouw echter den naam van Martenahuis, ter gedachtenis van dit aloude geslacht,
bestendig, tot op den huidigen dag, heeft behouden.
Het is ook eene bijzonderheid, dat dit huis, omtrent twee honderd jaren lang, het eigendom van afstammelingen
des stichters, van onderscheidene naam, gebleven is, en dat het toen,
openlijk verkocht zijnde, in 1694, sedert wederom van den regtverkrijgenden
kooper Suffridus Westerhuis tot op den tegenwoordigen
eigenaar, Mr. Albartus Telting,
kantonregter, en dus gedurende anderhalve eeuw,
niet dan bij erfbeschikking en opvolging van
verwanten is overgegaan (1). Men vindt er een geschilderd glasvenster,
waarop gemeld wordt het overlijden van Hessel van Martena, op zijne reize naar het Heilige land, in the jaar 1517. In 1694
woonde er als huurder de beroemde Campegius Vitringa; ook heeft er de beroemde Anna Maria van Schurman haar verblijf gehouden. (1) Vergelijk de Herinneringen van Martena-Huis te Franeker, door Mr. J. W. de Crane, geplaatst in de Vrijen Fries, uitgegeven door het prov. Friesch Genootsch. Ter beoefening van de Friesche Geschied- Oudheid- en Taalkunde. Leeuwarden 1838 D I, bl. 93-163. |