Schatkamer van Fryslân

Lidmaten

​Tijdens de Middeleeuwen, toen vrijwel iedereen rooms-katholiek was, hield de kerk - althans in deze streken - geen registratie bij van dopen en huwelijken. De kwestie van lidmaatschap was al helemaal niet aan de orde. Ook na de Reformatie heeft de Rooms-katholieke kerk het nooit nodig gevonden om aantekening te houden van wie men rekende tot dat kerkgenootschap te behoren.

  • De database met de gegevens uit de lidmatenregisters is te vinden in de website Alle Friezen.
    Kies bij 'Uitgebreid zoeken' voor 'DTB Lidmaten'.


overzicht van alle beschikbare lidmatenboeken

Bij de protestantse kerken had men hierop een heel andere visie. Bij alle was het nodig actief toe te treden, wilde men volwaardig lid (“lidmaat”, is oorspronkelijk: ledemaat) zijn van de plaatselijke gemeente. Bijvoorbeeld om deel te mogen nemen aan het avondmaal, of (alleen voor mannen) te mogen stemmen over kerkelijke aangelegenheden. Deze toetreding heet geloofsbelijdenis; men moest er dan blijk van geven, de voornaamste leerstukken van het betreffende kerkgenootschap te kennen en te onderschrijven. Bij de Doopsgezinde kerk was de doop een vast onderdeel van de belijdenis, om het even of men als kind - bij een andere kerk - al was gedoopt of niet. Doopsgezinden werden dan ook vaak “wederdopers” genoemd. Bij de overige genootschappen werd men als volwassene alleen gedoopt als dat in de kindertijd achterwege was gebleven. Met andere woorden: zij erkenden de doop van andere stromingen. Wie eenmaal belijdenis had gedaan kon bij verhuizing een schriftelijke verklaring (“attestatie”) van de predikant vragen en zich daarmee in een andere plaats als lidmaat laten inschrijven.

Zo zijn we als vanzelf aangekomen bij de registratie van kerkelijk lidmaatschap. Deze werd door de Staten van Friesland in 1772 verplicht gesteld voor de Nederduitsche Gereformeerde (na 1816: Nederlandse Hervormde) kerk op het vasteland van de provincie. De Staten hadden geen gezag op de eilanden en konden andere kerkgenootschappen niets voorschrijven. Gelukkig werd in de meeste plaatsen al eerder, op aanbeveling van de kerkelijke autoriteiten, lidmatenadministratie bijgehouden, in enkele gevallen (bijv. Sneek) al sinds het eind van de 16de eeuw. Het beginpunt en de wijze van registratie varieerde nogal van plaats tot plaats en hing voornamelijk af van de inzet van de predikant. Sommigen maakten er veel werk van en noteerden niet alleen belijdenissen en attestaties, maar ook overlijdensdata en vertrekgegevens van lidmaten. Alleen dat laatste werd in 1772 verplicht gesteld.

Vaak zijn er nog meer gegevens bewaard gebleven. Tamelijk veel predikanten stelden bij hun intrede een lijst op van alle lidmaten die zij ter plaatse aantroffen, soms in volgorde van “anciënniteit” (de oudste lidmaten eerst), maar meestal volgens de geografie van de plaats (straten, buurschappen).
Als laatste extraatje wil ik hier noemen aantekeningen over “censuur”, dat is een tuchtmaatregel, door de kerkenraad aan lidmaten opgelegd wegens wangedrag (“onchristelijk leven”). Meestal gaat het dan over chronische dronkenschap met alle gevolgen van dien. Minder vaak zijn leerstellige kwesties aan de orde, zoals afwijzing van de kinderdoop, bijwoning van de godsdienstoefening van andere kerkgenootschappen of contact met onbevoegde leraren (“oefenaren”). Ook vijandigheid tegenover mede-gemeenteleden, leugenachtig gedrag (waaronder roddelen) of het plegen van misdrijven, die door de wereldlijke rechter waren bestraft, kon een tijdelijke of zelfs definitieve schorsing (“afsnijding”) van een lidmaat tot gevolg hebben. Bij de hervormden bestond schorsing gewoonlijk uit ontzegging van de toegang tot het avondmaal, bij doopsgezinden kon bovendien “mijden” worden opgelegd, d.w.z. verbod aan andere gemeenteleden, om normale omgang met de geschorste te hebben. Dit moet wel bijzonder onaangenaam zijn geweest, maar u zult er in de archieven weinig over vinden. Vrijwel altijd kon de schorsing door het tonen van berouw en beterschap worden opgeheven.

Tot slot nog iets over de mate waarin men ook werkelijk belijdenis deed. In de praktijk valt dat nogal tegen, volgens mijn schatting was dat zeker minder dan de helft. In het algemeen kan men stellen dat vrouwen vaker belijdenis deden dan mannen, dat de midden- en “betere” standen het vaker deden dan de arbeidersklasse en dat het oostelijk deel van de provincie ruimschoots achterbleef bij het westelijk deel. Maar dit zijn slechts grove aanduidingen die weinig zeggen over individuele gevallen.

Hurdegaryp, februari 2011
Pieter Nieuwland

Zie verder Pieter Nieuwland, Friezen Gezocht (Leeuwarden/Hilversum 2005) 68-69 en 181-194; daar vindt u meer literatuur over het kerkelijk leven binnen diverse kerkgenootschappen.